Auteur:
Ronald Kunst

Laatst bijgewerkt:
14 augustus 2026

Wordt u ’s nachts wakker met tintelingen of een doof gevoel in uw hand? Of heeft u pijn in uw pols en merkt u dat u minder kracht heeft bij het vasthouden van voorwerpen? Dit kunnen klachten zijn van het carpaletunnelsyndroom (CTS). Hierbij raakt een belangrijke zenuw in de pols bekneld.

CTS komt veel voor en is vaak goed te behandelen. Afhankelijk van de ernst van de klachten kunt u eerst afwachten of kiezen voor bijvoorbeeld een polsspalk, injectie of andere behandeling.

Wat is het carpaletunnelsyndroom?

Aan de binnenkant van uw pols bevindt zich een smalle doorgang: de carpale tunnel. Door deze tunnel lopen pezen en de middelste handzenuw, de nervus medianus. Wanneer deze zenuw in de tunnel bekneld raakt, kunnen pijn, tintelingen en een doof gevoel ontstaan. Dit noemen we het carpaletunnelsyndroom.

Het kan vooral ‘s nachts verergeren door bepaalde slaap- of handposities, waardoor mensen met CTS vaak moeite hebben om te slapen.

Hoe herkent u het carpaletunnelsyndroom?

Kenmerkend zijn tintelingen, pijn of een doof gevoel in de hand. De klachten kunnen vooral ’s nachts hinderlijk zijn en u zelfs wakker maken.

U kunt onder andere last hebben van:

  • tintelingen of een doof gevoel in de hand en vingers;
  • pijn in de hand of pols;
  • klachten die ’s nachts erger worden;
  • minder gevoel in de hand;
  • minder kracht in de hand of duim;
  • voorwerpen gemakkelijker uit uw hand laten vallen.

De klachten kunnen ook richting de onderarm uitstralen. Bij ernstiger CTS kunnen verlies van gevoel en krachtsverlies steeds duidelijker worden.

Bij wie komt CTS vaker voor?

Het carpaletunnelsyndroom komt vooral voor tussen 45 en 64 jaar en komt vaker voor bij vrouwen dan bij mannen.

De kans is daarnaast groter tijdens zwangerschap en borstvoeding, rond de overgang en bij onder andere diabetes, overgewicht of na een breuk van hand of pols.

Waardoor ontstaat CTS?

De carpale tunnel biedt maar beperkte ruimte. Wanneer de middelste handzenuw meer ruimte nodig heeft, kan deze in de knel komen.

Klachten kunnen onder andere samenhangen met:

  • vaak dezelfde snelle hand- of polsbewegingen maken, vooral in combinatie met kracht of knijpen;
  • werkzaamheden waarbij handen of armen veel trillingen ondervinden;
  • de pols langdurig sterk gebogen houden;
  • zwangerschap en hormonale veranderingen;
  • bepaalde aandoeningen, waaronder diabetes.

Hoe wordt CTS vastgesteld?

De huisarts kan CTS vaak herkennen aan uw klachten en lichamelijk onderzoek.

Aanvullend onderzoek is daarom niet altijd nodig. Wanneer niet duidelijk is waar de klachten vandaan komen, kan een EMG of echo van de zenuw worden gedaan.

Wat kunt u zelf doen bij CTS?

Bij lichte of kort bestaande klachten kunt u soms eerst afwachten. Blijf uw hand gebruiken zolang dit niet te veel pijn veroorzaakt.

Merkt u dat bepaalde activiteiten de klachten duidelijk verergeren? Probeer deze dan tijdelijk aan te passen. Ook is het verstandig om te voorkomen dat u uw pols ’s nachts langdurig sterk gebogen houdt.

Bij ongeveer de helft van de mensen worden de klachten binnen één jaar vanzelf minder. Bij ongeveer één op de vier worden de klachten juist erger.

Een polsspalk bij carpaletunnelsyndroom

Een polsspalk is één van de mogelijke behandelingen bij CTS.

Een goede polsspalk houdt de pols in een relatief rechte, neutrale positie en helpt voorkomen dat de pols tijdens het slapen sterk buigt. De duim en vingers blijven daarbij vrij.

Bij CTS wordt een polsspalk vooral ’s nachts gedragen. Eventueel kan de spalk ook overdag worden gebruikt tijdens activiteiten die de klachten uitlokken.

Bekijk de Schaper Polsspalk →

Wanneer naar de huisarts?

Maak een afspraak met uw huisarts wanneer de klachten aanhouden of erger worden, maar zeker wanneer u:

  • steeds minder gevoel in uw hand krijgt;
  • duidelijk kracht verliest;
  • regelmatig voorwerpen uit uw hand laat vallen;
  • belangrijke dagelijkse activiteiten niet meer goed kunt uitvoeren.

Langdurige ernstige beknelling kan uiteindelijk schade aan de zenuw veroorzaken.

Veelgestelde vragen over carpaletunnelsyndroom

Tijdens het slapen kan de pols langere tijd gebogen blijven. Daardoor kunnen CTS-klachten toenemen. Een nachtspalk voorkomt dat de pols sterk buigt.

 

Bij het carpaletunnelsyndroom is een polsspalk één van de mogelijke niet-operatieve behandelingen. De spalk houdt de pols in een rechte stand en wordt vooral ’s nachts gedragen. Dit kan worden geprobeerd bij CTS waarbij de handfunctie nog grotendeels behouden is. Na 4–6 weken wordt beoordeeld of de klachten verminderen.
Bron: Thuisarts / NHG-richtlijn Hand- en polsklachten

Meestal niet. Bij CTS wordt de spalk vooral ’s nachts gedragen en eventueel overdag tijdens activiteiten die veel klachten veroorzaken.

Wanneer er na ongeveer 6 weken geen verbetering is, adviseert Thuisarts om de spalk niet simpelweg langer te blijven gebruiken, maar andere behandelmogelijkheden met uw arts te bespreken

Dat kan. Bij ongeveer de helft van de mensen worden de klachten binnen één jaar vanzelf minder. Bij ongeveer 1 op de 4 mensen worden de klachten juist erger. Het verloop verschilt dus per persoon.  Bij lichte en kort bestaande klachten kan daarom soms eerst worden afgewacht. Worden de klachten erger of krijgt u minder kracht of gevoel in uw hand, dan is het verstandig contact op te nemen met uw huisarts.

Bronnen en informatie